Taal- spraakontwikkeling

 

Kinderen met Downsyndroom hebben bijna allemaal een achterstand op het gebied van de spraakontwikkeling. De laat op gang komende spraak, de moeite met de verstaanbaarheid, dit bij vaak veel beter taalbegrip.  "Er zit meer in dan eruit komt" is dan ook een veelgehoorde zin. 

 

 De hoofdoorzaken van achterblijvende spraak en slechte verstaanbaarheid zijn:

  • Dysfatische ontwikkeling: De spraak,- en taalproductie blijven duidelijk achter ten opzichte van het taalbegrip en de non-verbale vaardigheden
    • Het taalbegrip is dus beter dan het spreken. 
    • Het spontaan spreken gaat beter dan het spreken op verzoek. (hierdoor worden kinderen met Downsyndroom ook vaak te laag ingeschaald bij testen, omdat deze kinderen op verzoek antwoord moeten geven in een testsituatie. 
    • geen vloeiende spraak, in combinatie met dyspraxie kan dit stottersymptomen geven. 
    • Het visuele geheugen voor taal is vaak veel beter dan, het (bij taal en spraak) meest gebruikte, auditief geheugen. 
  • Orale dyspraxie: stoornis in de planning en organisatie van complexe bewegingen in de mondmotoriek. 
  • Hypotonie: onvoldoende of wisselende spierspanning in mond en wangen.

Wel snappen, maar niet kunnen vertellen.

 

Leespraat is een methode die wordt gebruikt om de spraak,- en taalontwikkeling te stimuleren. Vóór de jaren 80 van de vorige eeuw, was de overtuiging minimaal dat kinderen met Downsyndroom zouden kunnen leren lezen. Een enkel kind met Downsyndroom wat kon lezen was bekend, dit tegen de toen heersende opvatting in dat kinderen met Downsyndroom niet leerbaar zouden zijn. Maar, in de jaren 80 begon dit beeld langzaam te veranderen.

In die tijd werd de vraag onderzocht hoe het kon dat deze kinderen met Downsyndroom toch konden leren lezen en waarom deze 'lezende kinderen' opvallend en zoveel beter leerden praten. De Engelse onderzoekster Sue Buckley (hoogleraar psychologie aan de universiteit van Portsmouth) heeft na haar onderzoek kunnen bevestigen dat:

 

De spraak van kinderen met Downsyndroom door middel van leren lezen op jonge leeftijd enorm vooruit gaat. (eventueel voorafgegaan door het leren van betekenisvolle gebaren)

 

Kinderen met Downsyndroom beschikken over opvallend goede visuele vaardigheden, dit wordt als voornaamste reden voor de verbetering aangenomen.

 

Leespraatmomenten: raap ze op.

 

Daar sta je dan met je goed fatsoen en je goede zin…  één of twee fases Leespraat hebben jullie doorgewerkt en nu ben je het overzicht even kwijt en je weet niet precies meer wat de volgende stap moet zijn.

Je bent na de basisworkshop die je een poosje terug volgde, vol enthousiasme, inspiratie en goede ideeën thuisgekomen en inmiddels een poosje onderweg. In de workshop heb je veel informatie gekregen en daaruit filterde je de informatie die je op dat moment nodig had, passende bij de fase waarin jullie toen zaten. De andere informatie heb je, logischerwijs, even geparkeerd. Na een poosje waarin meestal in een van de eerste twee fases is gewerkt, merk ik dat veel ouders en begeleiders het fijn vinden om de Leespraatkennis weer even op te frissen zodat zij het overzicht terugvinden en wellicht door kunnen naar een volgende fase. Tijd om op te frissen: Leespraat; hoe zat het ook alweer?

 

Hoe het begon

In 2006 ging ik op zoek naar methoden die aansloten bij mijn mensbeeld en visie om het zorgaanbod van Huppetee vorm te geven. Bij Huppetee mogen we inmiddels met ons Huppeteam tientallen gezinnen begeleiden met een kind, jongere of jongvolwassene met Downsyndroom. Een methode die wij dag in, dag uit gebruiken, is de speciaal voor mensen met Downsyndroom ontwikkelde communicatiemethode: Leespraat. De methode is ook geschikt voor andere mensen met een spraak-taal achterstand en/of een verstandelijke beperking.

 

In 2005 kwam de eerste versie uit van de door Hedianne Bosch ontwikkelde methode. Leespraat is het resultaat van haar zoektocht naar de beste manier om kinderen met Downsyndroom tot praten, lezen en leren te brengen. Hierbij liet ze zich inspireren door oa Vygotsky, Feuerstein en Buckley.

 

Taal- en spraakontwikkeling

Kinderen met Downsyndroom hebben een algehele ontwikkelingsachterstand waarvan de taal- en spraakontwikkeling het meest achterloopt. De spraak komt vaak niet vanzelf op gang en pas later dan bij kinderen zonder Downsyndroom. Vaak loopt de ontwikkeling van het praten achter op het taalbegrip. Door de dysfatische ontwikkeling ondervinden de kinderen hinder bij het bewust op willen roepen van een (ant)woord. Dit wordt ook wel ‘on-command’ probleem of woord-vind probleem genoemd. “Er zit meer in dan eruit komt” is dan ook een veelgehoorde uitspraak door ouders en begeleiders.

 

Auditieve informatieverwerking is voor veel kinderen met Downsyndroom moeilijk, omdat zo’n 80% van de kinderen problemen hebben met de auditieve verwerking van informatie, dit komt door een minder ontwikkeld auditief onderscheidingsvermogen waardoor taal als één woordbrei gehoord wordt, een zwak auditief kortetermijngeheugen en gehoorproblemen, variërend van milde tot ernstige gehoorverliezen.

Door het lezen in te zetten, wat een beroep doet op het verwerken van visuele informatie, worden de auditieve problemen omzeild.

 

Leespraatbloem

Leespraat is een holistische methode. Hierbij gaan we, in tegenstelling tot wat je vaak ziet in de huidige maatschappij, niet uit van zogenoemde kenniseilandjes, maar van de mens als geheel. Wanneer we praten over kenniseilandjes wordt bedoeld dat je beter leert praten bij de logopedie, zelfstandig leert werken door de juf op school, extra bijles krijgt om de schrijfvaardigheden te verbeteren door een remedial teacher etc. Ieder eilandje heeft zo zijn eigen specialiteit en als kind dien je vervolgens al die losse eilandjes, alsof het puzzelstukjes zijn, samen te puzzelen tot één geheel. Voor kinderen met Downsyndroom is dit juist erg moeilijk. Zij kunnen niet goed zelf transfers maken. Ze vinden het lastig om datgeen wat in situatie 1 (bijvoorbeeld de schrijfles bij de remedial teacher) aangeleerd wordt, ook in situatie 2: in de klas bij de juf toe te passen.

Bij Leespraat willen we niet werken aan geïsoleerde eilandjes. Omdat we werken met de kinderen in hun echte leven, zijn er geen eilandjes te vinden, maar is er enkel het geheel, waar alle vaardigheden en kennis door elkaar lopen. Door aan het geheel te werken kunnen de kinderen tot betekenisvol en dieper leren komen.

 

Om ervoor te zorgen dat je als ouder of begeleider in het geheel overzicht houdt op de verschillende aspecten waar je tegelijkertijd aan werkt, kun je de bloemblaadjes in de gaten houden.

Een van de vijf bloemblaadjes staat in het teken van ‘praten’. We werken aan de uitspraak van woorden, bijvoorbeeld wanneer een kind ‘”pankoek” zegt in plaats van ‘pannenkoek’, we werken aan het uitbreiden van de zinsbouw, leren toepassen van intonatie, vloeiender spreken en we werken aan het verstevigen van de zwakkere auditieve informatieverwerking.

 

Dan is er een bloemblaadje wat gaat over ‘begrijpen’. Een belangrijk aspect hieruit is het uitbreiden van de woordenschat, welke altijd relatief ver achter ligt bij leeftijdsgenootjes. Uit onderzoek is gebleken dat een gemiddelde 4jarige kleuter een passieve woordenschat heeft van zo’n 4000 woorden, de passieve woordenschat van een kind met Downsyndroom is gemiddeld 90-500 woorden.

De kennis van de wereld, maar ook het vat krijgen op de taal en grammatica(regels), begrijpend lezen en werken aan denkvaardigheden vallen ook onder dit bloemblaadje.

 

Communiceren is ook een belangrijk bloemblaadje. Het communiceren met zichzelf (innerlijke spraak) om zich aan te leren sturen is van belang. Maar ook het leren van gespreksvaardigheden, bijvoorbeeld hoe de telefoon aan te nemen of om hulp te vragen. De sociale vaardigheden worden vergroot wanneer communicatieve vaardigheden worden vergroot. Net als de emotionele ontwikkeling waarbij het in het gesprek kan gaan over gevoelens, bijvoorbeeld over je trots voelen of juist boos.

Soms praten kinderen amper, maar het taalbegrip is wel groter dan de taalproductie. In dat geval kan Leespraat ook als communicatiemiddel, bijvoorbeeld als aanwijsmap, dienen.

 

Een ander blaadje staat in het teken van het ‘zelf doen’. Dat kan zijn het leren plannen waarbij kinderen gebruik leren maken van bijvoorbeeld een kalender of planbord, het vergroten van de zelfredzaamheid door routines als het opstaan en aankleden ’s morgens uit te schrijven of het zelfstandig een serie taken achtereen uit kunnen voeren.

 

Het midden van de bloem, ook wel de bloembodem of het hart van de bloem genoemd, gaat over het visueel-analytisch leren lezen en ‘schrijven. Wanneer we werken aan dit bloemblaadje doorlopen we de 5 leesfases uit de boom van Leespraat en bouwt het kind zijn leespraatwoordenschat verder op.

 

Leespraatboom

De eerste fase van Leespraat kan vergeleken worden met het ‘watervrij’ maken oftewel wennen aan het water vóór de echte zwemlessen starten. In fase 1 van Leespraat brengen we kinderen op een vrijblijvende manier in contact met geschreven taal. We maken geschreven woorden opvallend in alledaagse situaties. Zo schrijven we bijvoorbeeld de namen van het beleg op wanneer een kind dit mag kiezen voor op zijn boterham. Een kaartje met wat het kind lekker vindt, bijvoorbeeld ‘pindakaas’ en een kaartje met ‘hagelslag’.

“Pietje, wat wil je op boterham vandaag? Eens even lezen hoor, hier staat pindakaas geschreven, vind je dat lekker?” Op deze manier brengen wij het geschreven woord naar de kinderen toe in alledaagse situaties. En goed om te onthouden: enthousiasme werkt aanstekelijk. Wanneer wij op een enthousiaste manier en expliciet aandacht schenken aan geschreven taal, starten we de ‘motivatiemotor’ bij de kinderen waardoor ook zij zich meer zullen gaan richten op geschreven taal in hun omgeving. Als de geschreven taal in de belevingswereld van het kind is gekomen, dan kunnen we starten met het leren lezen. In de eerste fase draait het dus om motiveren.

 

In de tweede fase van Leespraat worden de eerste leeswoorden globaal aangeleerd. Het kind leert het woord dus ineens te lezen.  Vergelijkbaar met het zien en benoemen van bijvoorbeeld een hond op een pentekening. Deze tekening wordt ook niet eerst geanalyseerd: dit zijn oren, 4 poten, een staart. Nee, we zien direct dat dat een hond is. Zo werkt het ook met het aanleren van de eerste leeswoorden. We starten niet met het, vaak voor ons vertrouwde, ‘hakken -plakken’: “Ik lees m-aa-n, wat staat er dan? Maan”. Bij Leespraat hakken en plakken we niet, nooit. We lezen in deze fase in een keer het woord wat via matchen, kiezen en benoemen wordt ingeoefend; “maan!” Omdat veel mensen dit globaallezen uit fase 2 onthouden, wordt nog vaak onterecht gedacht dat Leespraat een globaalmethode is. Niets is minder waar, want in de volgende fases werken we toe naar het visueel analyseren van woorden.

 

Leespraat blijft altijd de praktische communicatie als uitgangspunt behouden, dus wanneer je je afvraagt: Wat zou een goed eerste of volgend leeswoord kunnen zijn, volg dan vooral het kind. Het kind is leidend. Wat hoor je hem zeggen? Waarover wil hij praten? Dat kan gaan over ‘pannenkoeken’ of ‘computeren’. Vanuit wat wij vroeger geleerd hebben zouden we nu kunnen denken dat die woorden vast te moeilijk zijn als eerste woorden. Maar nee, een korter woord is zeker niet per definitie makkelijk(er). Dit komt omdat de kinderen de woorden als plaatjes zien. Hoe meer de eerste leeswoorden van elkaar verschillen (verschillende lengte, verschillende letters), hoe makkelijker ze te onderscheiden zijn en beter te onthouden zijn. Belangrijk hierin is ook dat woorden die betekenisvol zijn voor het kind beter worden onthouden. Kies dus vooral woorden die voor het kind van belang zijn op dat moment. Om dit allemaal bij te houden en te bundelen krijgt ieder kind een eigen leespraatmap/portfolio, waarin we zijn foto’s plakken waar we verhalen bij schrijven, waarin we de songteksten van favoriete liedjes schrijven, spelregels van door het kind gekozen spelletjes, recepten van allerlei lekkers, uitgeschreven dialogen, kalenders et cetera. Het motiveren uit fase 1 loopt dus gewoon door in alle volgende fases.  In fase 2 wordt een leespraatwoordenschat opgebouwd.

 

Wanneer het kind zo’n 30-50 woorden kan matchen, kiezen, benoemen én begrijpen, zul je merken dat woorden vaker op elkaar gaan lijken waardoor kinderen de woorden kunnen gaan verwarren. Vanaf dat moment kun je het kind vertrouwd gaan maken met (het concept) letters. We starten vaak met het begrip van wat letters zijn en welke letters er zijn. Zo zingen we samen het alfabetlied. Bij de woorden die verward worden, bekijken we welke letters in het woord voorkomen en een van die letters leren we aan, ook weer via spelletjes met matchen, kiezen en benoemen. Deze letterkennis is nodig om woorden visueel van elkaar te kunnen onderscheiden.

Wanneer een kind een woord niet goed uitspreekt “pannenoek” ipv ‘pannenKoek’, bevordert het leren van de letter, K in dit geval, ook de uitspraak.

Belangrijk om te beseffen is dat ook in fase 3 waarin de letters worden aangeleerd, het motiveren uit fase 1 door blijft lopen net als het opbouwen van de leespraatwoordenschat uit fase 2.

 

Na een poosje kent het kind zo’n 100-200 woorden en bijna alle letters, nu is in fase 4 het herkennen van woorddelen de kern. Mensen die goed kunnen lezen hebben namelijk iets gemeen; ze herkennen veel woorddelen of lettergrepen. Dat wil zeggen dat alle goede lezers hebben leren lezen door woorddelen vlot te herkennen en dit toe te passen bij nieuwe onbekende woorden. Kinderen met Downsyndroom ontdekken niet vanzelf dat woorddelen herkennen hen helpt bij het lezen, daarom leren we dit in fase 4 heel bewust en expliciet aan door te spelen met woorddelen; zoals memory; waarbij we twee delen bij elkaar moeten zoeken die samen een bestaand of vooraf afgesproken woord vormen. Zo leggen we ook een woorddelenmap aan waarin we alle woorden met daarin een bepaald woorddeel bij elkaar zetten. En tijdens het werken maken knippen we woorden door en maken ze terug heel. Het spelen met woorddelen in allerlei vormen staat centraal in deze fase.

 

Wanneer kinderen in de laatste fase 5 van Leespraat aangekomen zijn, kunnen zij de stap maken naar het zelfstandig nieuwe woorden en teksten lezen. De kinderen leren om alle eerder geleerde visueel-analytische strategieën toe te passen tijdens het lezen. Hierdoor leren ze tevens om ‘stil in hun hoofd’ te lezen.

Naarmate het lezen vlotter gaat, kan tijdens de Leespraatbegeleiding intensiever ingegaan worden op het uitbreiden van de kennis van de wereld en nog verder uitbouwen van de woordenschat, zodat zij de wereld om zich heen steeds beter kunnen begrijpen en (al dan niet door henzelf geschreven) taal praktisch kunnen toepassen. Een boodschappenlijstje maken en gebruiken, de schoolkrant lezen, informatie in boekjes of op internet lezen, plannen via een agenda of kalender.

 

Praktisch in te zetten waar en wanneer jullie dat willen

De boodschap die we in alle fases, dus vanaf het prille begin bij de eerste kleine Leespraatstapjes, aan de kinderen mee willen geven is dat zij niet leren lezen voor later, nee! Ze leren lezen voor nu. Omdat ze er nu direct beter door kunnen communiceren in alledaagse situaties.

 

De vraag die ik geregeld van ouders die pas kennismaken met Leespraat krijg, is hoe zij Leespraat in hun drukke agenda kunnen inpassen. Dat hoeft gelukkig niet zo ingewikkeld te zijn. Omdat het kind leidend is, kun je op verschillende momenten door de dag heen kritisch luisteren naar wat je het kind hoort (proberen te) zeggen. Dit kan altijd het vertrekpunt zijn van ofwel een korte visuele ondersteuning van 2 minuutjes door bijvoorbeeld het woord wat het kind bedoelt maar niet juist uitspreekt op te schrijven en samen kort een minuutje te oefenen. Ofwel een wat langere sessie van 15 tot 60 minuten bijvoorbeeld als het kind uit school komt en jullie gezamenlijk theedrinken, waarin je samen heerlijk kletst en schrijft over dat wat het kind wil.

 

Wat je precies op welk moment moet gaan doen wordt niet door de methode voorgeschreven. De Leespraatbloem en de Leespraatboom geven je ingrediënten die je kunt gebruiken, maar vertrouw vooral op dat wat er op dat moment besproken wordt, luister aandachtig naar het kind en probeer aan te haken op de communicatiepunten waar je dan direct op in kan zoomen en verbetering in zou kunnen aanbrengen.

 

Maar het belangrijkste van alles: Zoek niet te ver naar onderwerpen om over te Leespraten, ze liggen voor je neus, leer ze te herkennen, raap ze op en ga het doen! Veel succes en bovenal; veel plezier!